Onze wijk

(Bron: website Gemeente Den Haag)

Lees meer over de geschiedenis van deze buurt.

De Pletterijkkade met de fabriek (pletterij) en woning van de familie Enthoven, foto uit 1890.

Lange tijd is dit stukje Den Haag een landelijk gebied buiten de bebouwde kom geweest, dat voornamelijk bestond uit weilanden en rietvelden en later ook moestuinen met wat bebouwing. Pas na 1850, toen de stad werd uitgebreid buiten de omstreeks 1600 gegraven singelgrachten, ontstond het grootste deel van de huidige wijk. Alleen het gedeelte tussen de Ammunitiehaven en de Zuid-Oost-Buitensingel (later Uilebomen en Oranjebuitensingel genoemd) dateert van voor 1850.

15e en 16e eeuw

Het vrouwenklooster Sinte Maria in Galilea, had zich in 1463 gevestigd achter de huizen van het Spui en de Poten. In de vijftiende en zestiende eeuw was dit klooster de belangrijkste eigenaar van de polderweiden achter het kloostergebouw tot aan de grens van Voorburg. De Coman Willemslaan, die vanaf het Plein via de huidige Korte Houtstraat, de Nieuwe Haven en de Pletterijkade toegang verleende tot deze landerijen stond dan ook al snel bekend als ‘suster laen’.

Omdat deze doodlopende weg nogal slecht begaanbaar was en er bovendien ‘dode beesten ende andere stinckende vuylnissen’ werden gestort kregen de zusters in 1483 toestemming de laan met een hek af te sluiten daar waar de bebouwing ophield.

Evenwijdig aan de Coman Willemslaan en op ongeveer 25 meter afstand van de Haagsche Vaart (de tegenwoordige Trekvliet) lag een polderdijk, die in 1442 was opgeworpen en die ook wel ’t Laentje naer Voorburgh werd genoemd. Om die te bereiken moest men even voorbij de blekerijen aan weerszijden van de Coman Willemslaan rechtsaf de kade van het kloostervaartje inslaan.

Dit vaartje werd voor de bevoorrading van het klooster gebruikt en maakte een schuine bocht voordat het uitmondde in het Spui. Die bocht was tot voor kort nog terug te vinden in de nu gedempte Ammunitiehaven, die later op die plaats werd gegraven. Bij de bocht gekomen kon men linksaf de polderkade op en langs de drassige vlietlanden tussen de Haagsche Vaart en deze dijk bereikte men tenslotte Voorburg. Maar eerst werd nog het sluisje in de Scheyink, het grenswater tussen Den Haag en Voorburg gepasseerd. Later werd Scheyink verbasterd tot Schenk of Schenkwetering waarvan namen als Weteringkade en Schenkkade werden afgeleid.

De vlietlanden, die oorspronkelijk waren bedoeld om eventuele overstromingen te voorkomen, werden na verloop van tijd opgehoogd en geschikt gemaakt voor groenteteelt. Enkele tuinen waren in handen van particulieren en de overige werden door het klooster in erfpacht uitgegeven. Overal verschenen nu moestuinen en tezamen met de met bomen beplante polderkade vormde dit een hoogst aantrekkelijk geheel.

Tot dan toe waren het handwerkslieden en kooplui geweest die de tuinen bezaten, maar ook de ambtenaren van het Hof kregen nu belangstelling. Klaes Beukelaer, advocaat bij het Hof van Holland, bezat in 1537 een moestuin vlakbij het kloostervaartje. Claes Jansz. Persyn, rentmeester van het Exploit, kocht enkele jaren later een tuin ernaast en zette er een huis neer. Toen beiden hun bezit wilden vergroten en de polderkade verlegd moest worden, kregen zij daar in 1548 zonder meer toestemming voor.

Het achterste stuk van de polderkade, daar waar nu de Geleenstraat loopt, werd zo’n zeventig jaar later eveneens verlegd en stond in het begin van de zeventiende eeuw bekend als het Geldelooze pad, waarschijnlijk omdat men hier geen tol hoefde te betalen.

Ook Beukelaer bouwde nu een huis in zijn tuin. Rond dit met trapgevels versierde huis plantte de advocaat een groot aantal bomen. Na de dood van Beukelaer in 1555 breidde Persyn nog enkele malen zijn tuin uit. Maar die van Beukelaer was toch de meest idyllische. Toentertijd stonden het huis en de tuin bekend onder de naam het Lammeken in ’t Groen. Deze naam werd later overgenomen door een in de buurt gelegen blekerij, waaraan het huidige Lamgroen zijn naam ontleent.

In 1615 besloot Jacob van Dyck, gezant van de koning van Zweden, zijn ambassadeurswoning op te trekken in de voormalige tuin van Persyn, recht tegenover de Bierkade. Toen in 1617 de Zuid-Oost-Buitensingel werd gegraven kwamen het huis en de tuin van Van Dyck tussen de Ammunitiehaven en de singelgracht te liggen en dus binnen het dorp. De erven van de latere eigenaar Thomas Verwer (naar wie de Ververstraat genoemd is) verkochten het monumentale huis aan de hervormde diakonie, die het pand tot 1867 gebruikte als Oude Vrouwen- en Kinderhuis.

Intussen was het Lammeken in ’t groen door het graven van de Zuid-Oost-Buitensingel volkomen vernietigd. De singel liep dwars door het terrein dat steeds verder verkaveld werd. In een hoektuin aan de Coman Willemslaan werd een huis genaamd ‘de Pinxterblom’ neergezet. Gaandeweg kreeg ook de laan de naam Pinxsterbloemlaan en die naam bleef tot ver in de negentiende eeuw bestaan. Aan de overkant lag het huis ‘de Regenbooch’ dat toebehoorde aan de geliefde van Prins Maurits, Margaretha van Mechelen.

17e eeuw tot nu

Gelijktijdig met de singelgrachten werden in het begin van de zeventiende eeuw ook de Nieuwe Haven en de Ammunitiehaven aangelegd. De havens vormden het centrum van het havenkwartier waar schepen goederen aanvoerden die bestemd waren voor de stad. In die tijd bepaalden de cafés, logementen en de prostitutie het beeld hier.

Langs de verbindingsgracht tussen de Nieuwe Haven en de Oostsingelgracht waren kleine huisjes verrezen die later door de bebouwing aan de Zwarteweg en de demping van de verbindingsgracht ingesloten werden. Ze staan nu nog bekend als de voormalige Julianahof. In het begin van de negentiende eeuw verloor het gebied rond de Nieuwe Haven zijn functie en geleidelijk aan werden de grachten gedempt. In 1860 waren de Ammunitiehaven en de Schedeldoekshaven aan de beurt om gedempt te worden en in 1904 volgde de Nieuwe Haven.

Intussen was de stadsuitbreiding langzaam op gang gekomen. In 1890 was er buiten de singelgrachten slechts bebouwing te vinden langs de Boomsluiterskade en aan de Maasstraat tussen de Amstelstraat en de IJsselstraat, waar men enkele complexen kleine woningen had neergezet. In diezelfde tijd stonden op de plaats van de huidige Plettterijkade de gebouwen van de pletterij Enthoven. In 1905 verhuisde deze metaalfabriek naar Delft.

Pas na 1910 begon men in snel tempo met de systematische bouw van de Rivierenbuurt. Eerst werd het deel tussen de singelgracht en de Weteringkade aangelegd en zo’n tien jaar later was het stratenplan en een deel van de bebouwing tussen de Weteringkade en de spoorbaan gereed.

Het gebouw van de Postcheque en Girodienst aan het Spaarneplein, rond 1950.

Het gebouw van de Postcheque- en Girodienst aan het Spaarneplein dateert uit 1919. De nieuw gebouwde woningen waren voor het grootste deel meergezinshuizen met twee buitendeuren en een binnentrap of portiekwoningen met een buitentrap. Het Schenkviaduct dat ten behoeve van het toenemende verkeer werd aangelegd, kwam in 1940 gereed. Het resterende water en het oude sluisje van de Schenkwetering verdwenen in 1957. Eveneens ten behoeve van het verkeer werd in 1975 het Prins Bernhardviaduct opengesteld.

In de jaren tachtig en negentig ging zo ongeveer het hele oude havengebied op de schop. Er kwamen nieuwe woningen en kantoren. Ook het Prins Bernhardviaduct, ooit bedoeld als beginpunt van de dwarsweg door het centrum, moest een veer laten en werd ingekort.

U kunt meer lezen over de Rivierenbuurt in: